Je loopt een trap af zonder er bij na te denken. Je rijdt op de fiets en vangt jezelf op als je een kuiltje raakt. Je staat stil op de bus en houdt je evenwicht terwijl hij optrekt. Dat doet allemaal het vestibulaire systeem — een zintuig dat onzichtbaar werkt maar voortdurend actief is.

Wat is het vestibulaire systeem?

Het vestibulaire systeem zit in het binnenoor, vlak naast het gehoororgaan. Het bestaat uit drie halfcirkelvormige kanalen gevuld met vloeistof, plus twee zakjes die zwaartekracht registreren. Samen meten ze hoe het hoofd beweegt — in alle richtingen.

Die informatie gaat naar de hersenstam, die het combineert met informatie van de ogen en de proprioceptie (spieren en gewrichten). Samen zorgen die drie systemen voor evenwicht, ruimtelijke oriëntatie en gecoördineerde beweging.

Hoe het vestibulaire systeem en sensorische integratie samenhangen

Ergotherapeut Jean Ayres beschreef sensorische integratie als het vermogen van het brein om alle zintuigprikkels te ordenen tot zinvol gedrag (Ayres, 1972). Het vestibulaire systeem is daarin een van de grondleggende zintuigen. Het helpt het brein bepalen wat "boven" en "onder" is, hoe snel iets beweegt, en hoe het lichaam moet reageren.

Als de vestibulaire verwerking minder soepel loopt, kan dat het moeilijker maken om stil te zitten, te focussen en de eigen lichaamspositie te voelen. Kinderen met vestibulaire verwerkingsproblemen zijn soms labiel in hun bewegingen — of ze bewegen juist voortdurend om input te krijgen.

Overgevoelig of ondergevoelig

Het vestibulaire systeem kan, net als andere zintuigsystemen, in twee richtingen "verkeerd kalibreerd" zijn:

  • Overgevoeligheid: kleine bewegingen voelen intens aan. Snel duizelig worden, angstig op een schommel of carrousel, misselijk in de auto. Het kind vermijdt beweging die anderen leuk vinden.
  • Ondergevoeligheid: het systeem heeft veel meer input nodig dan gemiddeld. Het kind wiebelt, draait, hangt achterover, zoekt hoogtepunten en valt nauwelijks. Het lijkt onvermoeibaar bewegingszin te zoeken.

Van buitenaf kunnen die twee er soms heel anders uitzien — het ene kind is terughoudend, het andere kind lijkt onbezonnen. Maar allebei zijn reacties van een zenuwstelsel dat probeert te reguleren.

Kinderen die altijd wiebelen

Wiebelen op een stoel, schommelen op de achterste stoelpoten, op en neer lopen — dat zijn allemaal manieren om vestibulaire input te krijgen. Kinderen die veel wiebelen, zoeken die bewegingsprikkel. Ze zijn niet brutaal of ongehoorzaam — hun zenuwstelsel vraagt om meer input dan stilzitten geeft.

Sommige scholen gebruiken wiebelkussens juist voor dit reden: ze geven vestibulaire input terwijl het kind op de stoel blijft. Dat helpt de concentratie, omdat het kind niet langer de omgeving hoeft in te zetten om beweging te zoeken.

Vestibulaire input versus proprioceptieve input

Het is nuttig om het onderscheid te kennen, zeker als je hulpmiddelen overweegt:

Vestibulaire input Proprioceptieve input
Via het binnenoor Via spieren en gewrichten
Beweging, evenwicht, hoofd-positie Lichaamspositie, kracht, diepe druk
Wiebelkussen, schommel, trampoline Kauwketting, stressbal, sjouwen
Werkt via beweging van het lichaam Werkt via druk op spieren en gewrichten

Een kauwketting geeft geen vestibulaire input — hij spreekt de kaakspieren aan via proprioceptie. Voor kinderen die zowel bewegingsinput als kauwinput nodig hebben, kunnen beide soorten hulpmiddelen naast elkaar worden ingezet.

Gebruikte literatuur

  1. Ayres, A.J. (1972). Sensory Integration and Learning Disorders. Western Psychological Services.

Veelgestelde vragen

Het vestibulaire systeem is het zintuig dat in het binnenoor zit en beweging, versnelling en de positie van het hoofd registreert. Het werkt samen met de ogen en de proprioceptie om het evenwicht te bewaren en ruimtelijke oriëntatie mogelijk te maken.

Als de vestibulaire verwerking minder goed loopt, kan een kind overgevoelig zijn voor beweging (snel duizelig, angstig op een schommel) of juist ondergevoelig (altijd in beweging, draaien, wiebelen, hoogtevrees ontbreekt). Beide zijn manieren waarop het systeem vraagt om regulatie.

Wiebelen geeft vestibulaire input — beweging van het hoofd die het binnenoor registreert. Kinderen die dit doen, zoeken die input om zich beter georganiseerd te voelen. Het is een manier van het zenuwstelsel om zichzelf te reguleren.

Vestibulaire input komt via het binnenoor en gaat over beweging en evenwicht. Proprioceptieve input komt via spieren en gewrichten en gaat over lichaamspositie en kracht. Een wiebelkussen geeft voornamelijk vestibulaire input. Een kauwketting geeft proprioceptieve input via de kaakspieren.

Een kauwketting geeft geen vestibulaire input — dat doet hij via de kaakspieren (proprioceptief). Maar bij kinderen die zowel vestibulaire als proprioceptieve behoefte hebben, kan een kauwketting één van de hulpmiddelen zijn naast anderen, zoals een wiebelkussen of bewegingspauzes.

Bij sommige mensen speelt een gevoeligheid van het vestibulaire systeem mee bij hoogtevrees — het systeem reageert intenser op de prikkel van hoogte en diepte. Maar hoogtevrees heeft ook een psychologische component. Dat is iets om te bespreken met een arts of therapeut.