Als de sensorische verwerking net anders loopt, zie je dat terug in gedrag. Maar het gaat twee kanten op — en dat is belangrijk om te begrijpen.
Overprikkeling
Te veel komt er binnen, of het brein filtert het onvoldoende. Een kind dat overprikkeld is, raakt snel geïrriteerd, reageert fel op kleine dingen, wil weg uit drukke ruimtes. Het bijt op zijn mouw, zijn nagels, de hals van zijn trui. Thuis na school valt het kwartje: het kind komt overprikkeld thuis en klapt dan ineens in. Alle spanning van de dag die niet verwerkt kon worden, komt er ineens uit.
Onderprikkeling
Onderprikkeling is het omgekeerde. Het brein registreert te weinig — of niet intensief genoeg. Een kind dat onderprikkeld is, lijkt soms dromerig of afwezig. Maar het kauwt ook: op potloden, op de rand van een schrift, gewoon "zomaar", zonder dat er zichtbaar spanning is. Het brein zoekt actief input om wakker en geconcentreerd te blijven.
Van buitenaf kunnen die twee situaties er soms hetzelfde uitzien: het kind bijt, friemelt, beweegt. Maar de oorzaak is tegengesteld. Bij overprikkeling is het kauwen een uitlaatklep voor te veel. Bij onderprikkeling is het een zoektocht naar meer.
Signalen die op kauwbehoefte kunnen wijzen
| Lijkt op overprikkeling | Lijkt op onderprikkeling |
|---|---|
| Bijt op nagels of mouwen bij spanning of drukte | Kauwt "zomaar" op potlood of schrift tijdens stilzitten |
| Snel geïrriteerd na een drukke les of dag | Lijkt afwezig, moeilijk te bereiken |
| Repetitief kauwen als ritme bij spanning | Neemt vreemde voorwerpen in de mond |
| Thuis na school plotseling overstuur of uitgeput | Moeite met concentreren zonder duidelijke oorzaak |
Waarom een bijtketting bij beide helpt
Dat klinkt misschien tegenstrijdig: kalmerend bij overprikkeling, én activerend bij onderprikkeling? Toch klopt dat. Het heeft te maken met hoe proprioceptieve input werkt.
Kauwen geeft diepe, ritmische druk via de kaakspieren. Die input is voor het brein een anker. Als je te actief bent, helpt het je omlaag. Als je te slaperig of afwezig bent, helpt het je terug naar alertheid. Psychologen Yerkes en Dodson beschreven al in 1908 dat er een optimaal activatieniveau bestaat voor leren en functioneren. Kauwen helpt het zenuwstelsel in de richting van dat optimum te bewegen.
In de praktijk zien ergotherapeuten dat kinderen hun kauwintensiteit onbewust aanpassen aan wat ze nodig hebben: steviger wanneer de prikkeldruk groter is, rustiger wanneer ze al gevonden hebben wat ze zochten. Dat het kind zelf bepaalt wanneer het de kauwketting pakt, past daar goed bij: het kind weet, instinctief, wanneer het hem nodig heeft.
Gebruikte literatuur
- Ayres, A.J. (1972). Sensory Integration and Learning Disorders. Western Psychological Services.
- Yerkes, R.M., & Dodson, J.D. (1908). The relation of strength of stimulus to rapidity of habit-formation. Journal of Comparative Neurology and Psychology, 18, 459–482.